Radius: Uit
Radius:
km Set radius for geolocation
Zoek

Korte keten, de oplossing voor de excessen van de industriële landbouw?

Korte keten, de oplossing voor de excessen van de industriële landbouw?
Klavertjeshof
Interview met Het Klavertjeshof, door Jesse De Meulenaere, februari 2018:

Wij hebben nog nooit een biefstuk uit de supermarkt gegeten

 

Op tekst en beelden rusten auteursrechten. Ze mogen niet op andere plaatsen gebruikt worden.

 

Je kan de voedselschandalen of beelden van dierenmishandeling amper bijhouden. Om dan nog te zwijgen over misnoegde boeren die systematisch onderbetaald worden. De oorzaak van deze problemen is vaak dezelfde: alles moet bukken voor de winst van de grote ketens. Kan lokale afzet een antwoord bieden op deze problematiek? We gingen op zoek naar antwoorden bij Anja Verheecke en Jan Degrande van het Klavertjeshof in Lovendegem, rasechte boeren met een hart voor puur vlees.

 

Hoe is jullie avontuur met de korte keten begonnen?

Anja: “Ikzelf ben begonnen in 1991 na een studie informatica en een jaar landbouwopleiding. Daarna baatte ik het bedrijf van mijn vader samen met hem uit. Ik nam het rundvee over en mijn vader ontfermde zich over de zeugenhouderij. In de praktijk zat ik vaak in de varkensstallen en hij in de koestallen. Daarna trouwde ik met een boerenzoon, Jan. Hij werkte niet direct mee in het bedrijf, maar is eerst gaan werken in een carrosserie. In 2003 ging mijn vader dan met pensioen. Mijn man wou graag boer worden dus richtten we de hoeveslagerij op. We zijn eraan begonnen zonder te weten wat die slagerij precies teweeg zou brengen. Na één slachting wisten we al snel dat dat zeer veel werk was, maar ik wou geen vijf dagen op zeven met een witte schort in de winkel staan. Ik heb gekozen voor boerin. Ik wil op maandag mijn blauwe overall aantrekken. We vonden snel een oplossing. We slachtten het eerste weekend en het laatste weekend van de maand. Het ene weekend varkensvlees, het ander weekend rundsvlees. We stelden onze data op voor een heel jaar en we zagen wel hoe het zou lopen. Intussen doen we het al zestien jaar zo. We zijn niet uitgebreid naar markten of het maken van bereidingen. Vandaag draait dat in ons voordeel uit. Voor boerenmarkten hebben we gewoon geen tijd. We zijn tenslotte nog altijd boer en boerin. De hoeveslagerij was een manier om mijn echtgenoot mee in het bedrijf te kunnen opnemen, maar het vergt gigantisch veel werk.”

 

Waarom zijn jullie overgestapt naar biolandbouw?

Anja: ”Aanvankelijk werkten we volgens de gangbare landbouw, dus sproeiden we op de akkers. Dat stak ons tegen. De sproeistoffen werkten niet meer omdat de gewassen en de grond een resistentie opbouwden. Op een gegeven moment had ik een grote controle van het FAVV. Er stond hier een bus sproeistof die hier niet mocht staan. We hadden die in het volste vertrouwen aangekocht bij onze handelaar, maar die sproeistof mocht niet meer verkocht worden. Wij waren daar het slachtoffer van. We hadden ook witblauwkoeien en we hadden geen zin meer in de keizersneden die dat ras met zich meebrengt. Die sproeistof was van de ene dag op de andere buiten, de omschakeling naar limousinkoeien is wat trager verlopen. Je moet eerst biodieren kopen voor je kan beginnen kweken. De eerste twee jaar waren ongelooflijk zwaar. Onze akkers waren nog niet aangepast. Die waren gewoon van meststoffen en sproeistoffen te krijgen. De gangbare boer gooit wat extra kunstmest op zijn akkers als de teelt niet goed lukt en dan houdt hij er nog wat aan over. Als het bij ons niet lukt, hebben we niets. Het duurt zeker twee jaar tot je grond weer van de kwaliteit is zoals die vroeger was. Voor er kunstmest bestond, was het allemaal bio. Al het onkruid werd met de hand gewied. De productie was natuurlijk wel groter met kunstmest en sproeistoffen, maar we hebben nog geen moment spijt gehad van de wissel. In die twee jaar heb ik wel mijn grijze haren gekregen, dat geef ik toe. Toen dachten we toch even: “Waar zijn we in godsnaam aan begonnen?””

Je moet onkruid kunnen zien staan, anders hou je het niet vol

 

“In de eerste twee jaar na de omschakeling naar bio mag je nog geen biomelk verkopen. Ook je vlees mag je nog niet met het biolabel verkopen. Wij moesten onze dieren bio-eten geven maar moesten ze wel nog verkopen in het gangbare circuit. De gangbare melkprijs was zeer laag terwijl wij grote investeringen moesten doen. Het waren ook twee droge jaren dus de opbrengst op het land was nul komma nul. Toen moesten we noodgedwongen biogras inkopen. Maar we zijn erdoor gekomen. We hebben het volgehouden en nu zouden we nooit meer willen terugkeren naar niet-bio. Zonder het zelf te beseffen, waren we eigenlijk al op weg naar bio. Het moet toch zijn dat we dat ergens echt wilden.”

 

“We hebben nu 120 tot 130 runderen. Dat is ongeveer evenveel als een gangbaar bedrijf. We melken 60 koeien. In het gangbare zijn vele boeren de laatste jaren van 60 naar 120 melkkoeien gegaan om het hoofd boven water te kunnen houden. Bio is een manier om het leefbaar te houden met wat je hebt. Mijn man en ik doen alles zelf. Enkele jaren geleden moesten we keuzes maken: gaan we voor schaalvergroting of zorgen we voor een meerwaarde van onze dieren? We kozen voor het tweede. En bio zorgt daarvoor. Hebben we veel akkers? Ja, we moeten wel als biobedrijf. Maar ik zou er graag wat meer hebben (lacht).”

 

De keuze voor bio was dus meer een praktische overweging dan een morele?

Anja: ”Beide, maar je moet altijd het economische bekijken. Je kan niet louter uit overtuiging bioboer worden. Je moet kunnen leven. Anderzijds, zonder die overtuiging gaat het ook niet. Je moet zeggen: “Ik wil geen sproeistoffen meer, ik wil geen kunstmest meer.” Je moet onkruid kunnen zien staan op je akker. Voor ons is dat gelukt. Als je het enkel doet voor de betere prijzen, lukt het ook niet. De laatste jaren zijn er veel biozuivelboeren bijgekomen omdat de gangbare melkprijzen een duik genomen hebben. Als zij het enkel doen voor de melkprijs, vrees ik dat ze het niet zullen volhouden.”

 

Wat is dan precies het verschil tussen biolandbouw en gangbare landbouw?

Verheecke: ”Bio is duurder in vergelijking met de gangbare landbouw. Onze dieren leven langer. Ons bedrijf is ook grondgebonden, omdat het volgens ons geen zin heeft om veel melk te produceren als je al het eten voor je dieren moet inkopen. Buiten het krachtvoer voor de melkkoeien verwerken wij zelf al ons voer. Geen soja uit Brazilië of wat dan ook. In tegenstelling tot in de gangbare veeteelt krijgen onze dieren geen preventieve antibiotica. Wij gebruiken het enkel in geval het dier in gevaar is. We moeten onze dieren ook niet zomaar laten doodgaan. Nu, ik moet wel zeggen dat men in alle sectoren meer en meer afstapt van antibiotica, gelukkig maar.”

 

“Het enige spijtige is dat er zo weinig biogecertificeerde slachthuizen zijn. Er mag geen enkele schakel uit de bioketen ontbreken om van een bioproduct te kunnen spreken, dus ik moet telkens erg ver rijden. Op die manier hebben wij wel 10 à 15 cent meer opbrengst per liter melk dan in het gangbare. De gangbare boeren weten bovendien niet hoe de kaarten de maand erna liggen. Wij hebben per jaar een vaste prijs.”

 

Welk aandeel van jullie productie wordt verkocht via korte keten?

Verheecke: ”Al het mestvee, dat zijn al onze limousins, gaat naar de hoeveslagerij. Enkel de reforme melkkoeien gaan naar de groothandel. [n.v.d.r.: dit zijn oude melkkoeien die naar de slachterij gaan] Melkvee is nog altijd onze hoofdtak, ik heb ook maar een twintigtal limousins. Meestal slachten we één of twee runderen per maand, afhankelijk van de drukte. Maart was gigantisch druk na die vleesschandalen. Dat is even een piek. Daarna valt de consument terug in zijn gewone patroon, al hou ik er wel enkele klanten aan over. Om nu te zeggen dat zo’n schandaal goed voor ons uitkomt, is gelogen. Zowel voor de gangbare boer die geen thuisverkoop doet is het een enorme domper. Niemand wil zo’n schandaal. Mijn reforme biomelkkoeien moeten ook naar de groothandel, dus ik zit in hetzelfde schuitje.”

Hoe behouden jullie dan het vertrouwen van de mens die hier komen?

Verheecke: “Mijn product, en na 16 jaar kan ik dat wel zeggen, is goed. Het is vers. Rechtstreeks van boer naar consument. Ik heb geen bereidingen en ik koop niks in. Daar hechten mijn klanten belang aan. Ze weten dat alles wat ze kopen van hier is. Als ze vragen om in de stallen te gaan, dan gaan ze erin. Ik zeg nooit dat ze niet mogen.

Het enige moment dat mijn dieren de boerderij verlaten, is om geslacht te worden.”

 

Wat is ter plekke het verschil tussen een gewoon slachthuis en een bioslachthuis?

Verheecke: ”De strengere controles. En ik geloof wel dat die er zijn, want wij hebben hier ook strenge controles. In de groothandel vertrekt het dier van het hof en vanaf dan weet de boer niks meer. Hier vertrekt ons dier naar het slachthuis, maar komt het ook volledig terug naar hier. Het wordt ook hier versneden door een slager die op zelfstandige basis werkt.”

 

Wat doet zo’n vleesschandaal als dat van Veviba met u?

Verheecke: ”Dan zeg ik: “Is het weer van dat?” Ik weet niet wat ik moet geloven. Is het echt een schandaal? Is het de media? Er zal wel iets mis zijn, maar de media deed er wellicht nog een schep bovenop.”

 

Welke garanties biedt het Klavertjeshof tegen zo’n schandalen?

Verheecke: ”Wij zijn kleinschalig. We hebben alles meer onder controle. Het gebeurt allemaal in mijn klein winkeltje. En mijn etiketten zijn natuurlijk correct. Mijn varkenvlees krijgt geen bio label, mijn rundsvlees wel. Op mijn gemengd gehakt, dat is zowel biorundsvlees als varkensvlees, hangt ook geen label. Vanwege het varkensvlees. Sommige bedrijven zijn zodanig groot dat de controleurs er op den duur geen zicht meer op hebben. Als er hier daarentegen iets mis zou zijn, zullen ze het onmiddellijk zien.”

 

Waarom geen biovarkensvlees?

Verheecke: ”Ik heb te weinig akkers om biovarkens te houden. Je moet genoeg akkers hebben om je mest op af te kunnen zetten. Je kan ook mest afzetten naar Wallonië, maar in hoeverre is dat nog bio? Daarom hebben we gekozen om de varkens niet biologisch te telen. De klanten vragen mij vaak waarom, maar ze begrijpen dat. Als het niet gaat, gaat het niet.”

 

Voel je bij zo’n vleesschandaal dan enige trots dat je voor bio koos?

Verheecke: ”Nee, zeker niet. We dachten dat het hier weer een overrompeling zou zijn en dat ik het weer heel het weekend zou mogen uitleggen. Het was ook effectief zo. De klanten verwachten steeds dat wij beter zijn. We moeten altijd nóg een stap verder, nóg meer moeite doen. Als ze in de kookprogramma’s weer iets nieuws verzinnen, moeten wij dat óók hebben in slagerij. Ze verwachten meer van ons dan van de slager in het dorp.”

 

Ons product is góed – na zestien jaar kan ik dat zeggen.

Je hebt natuurlijk ook de meest kritische klanten.

Verheecke: ”Dat is juist. Ze kwamen al van voor we bio waren omdat het ‘rechtstreeks van bij de boer’ was. We hebben geen reclame gemaakt bij de omschakeling naar bio. Mijn man en ik waren wat bang om ons bestaande cliënteel te verliezen, want zij vroegen niet om biovlees. We lieten dat rustig zijn beloop gaan, en op den duur vond de bioconsument ons ook. Aan restaurants leveren we niet, omdat zij enkel de beste stukken vlees willen. Die houden we liever voor onze klanten.”

 

“De mensen vragen ons ook wel eens waarom we onze melk niet zelf verkopen, maar zuivelverwerking combineren met vlees is voor ons niet haalbaar. Sommigen doen het omgekeerd: zij zijn voornamelijk bezig met zuivelverwerking en slachten af en toe zelf iets. Dan kun je natuurlijk kiezen wanneer je slacht. Bij ons is er iedere maand vers vlees. En ik reken het zo uit dat ik nooit overschot heb. Liever te weinig dan te veel. Op woensdag versnijden we het vlees, op vrijdag en zaterdag verkopen we alles. We verkopen via drie kanalen: onze eigen hoeveslagerij, via Voedselteams en sinds kort ook via de Gentse winkel Akker & Ambacht. Zo krijgen we eerlijke prijzen voor ons product. Het grootste deel verkopen we zelf, maar korte keten zit sterk in de lift. Ik krijg soms drie keer per de maand telefoon van iemand die wil samenwerken.”

 

Wat is het grote verschil tussen witblauwkoeien en limousin?

Verheecke: “De keizersnedes bij witblauw, daar wilden we van af. Het is ook niet zo leuk om ’s nachts op te staan voor een keizersnede. Witblauw vraagt ook heel veel krachtvoer. Ze worden op jonge leeftijd geslacht en worden dus sneller afgemest. Dit ras moet klaar zijn op slechts twee jaar, dus krijgen de dieren in hun laatste jaar heel wat krachtvoer. Op die manier krijgt het vlees smaak. Onze limousins krijgen niks van krachtvoer. Zij eten enkel grasklaver en in de zomer lopen ze op weiden van Natuurpunt. Zij kalven ook alleen. De kalveren moeten zes maand bij de moeder blijven waardoor de limousins ook pas later afgemest worden. Dat wil ook zeggen dat die koeien ouder geslacht worden en dus langer leven. Als je een magere limousin na de winter mager de wei opstuurt, komt die er bijna afgemest terug af. Het is een gemakkelijker ras.”

 

Je dieren mogen grazen op weiden van Natuurpunt, hoe verloopt die samenwerking?

Verheecke: “Heel goed. Vroeger hadden we weiden van mijn grootvader in De Assels. Dat waren weiden van zesenhalf hectare. Daar heeft mijn grootvader serieus voor moeten knokken bij de Stad Gent. Natuurpunt wou die gronden en benaderde hem. Dat lag erg delicaat. De generatie voor ons heeft een heel ander idee over samenwerken met Natuurpunt. Bij de verkoop zo ik mijn pachtcontract, waarmee ik zekerheid had, moeten aftekenen. Dat is ongeveer het ergste wat je van een boer kunt vragen. Je geeft je zekerheid op. Voor mijn ouders was daar geen sprake van. Wij zijn anders, ook omdat we met bio bezig zijn. Drie jaar terug heb ik dan met schuddende handen mijn pacht afgetekend maar intussen is er een sterk wederzijds vertrouwen. De manier van werken bij Natuurpunt is niet slecht. De voorwaarden zijn goed, je hebt alleen weinig zekerheid. Ik heb wel een mooi contract nu: levenslang met opvolging. Het was dat of niks voor mij. Mijn ouders zijn intussen ook bijgedraaid, ze zagen dat het goed zat.”

 

Aan restaurants leveren we niet, omdat zij enkel de beste stukken vlees willen. Die houden we liever voor onze klanten.

 

Je organiseert ook boerderijklassen. Wat was de aanzet daartoe?

Verheecke: “In de gangbare landbouw moesten we altijd tot het uiterste gaan, maar dat zochten we niet meer. We besloten onze varkensstapel af te bouwen. Daardoor kwam er een stal leeg. We wilden het niet laten verkrotten, maar we wilden het ook niet afbreken. Dus zijn we beginnen verbouwen zonder een echt doel. We bouwden sanitaire voorzieningen en zaaltjes waar voordien kraamhokken stonden. Als het eenmaal afgewerkt was, wisten we nog steeds niet wat we ermee zouden aanvangen. Op internet vond ik ook weinig inspiratie. Vorig jaar moest ik naar een vergadering in Wallonië, waar educatie op de boerderij al een tijdje in opmars is. Toen ik thuis was, dacht ik dat dat wel een goede vakantiejob zou zijn voor mijn dochter: boerderijkampen organiseren. Het was snel beklonken. En het is een enorm succes: eerst gingen we één week in augustus organiseren met twintig kinderen. Dat konden we wel aan, dachten we. Uiteindelijk zijn we gestopt aan twee weken met 42 kinderen! Na alles wettelijk in orde te brengen, konden we met die tak van de boerderij van start. Die kinderen waren echt fenomenaal. Als ze hier toekwamen vonden ze dat het hier stonk. Een week later wilden ze allemaal boer worden. Eén kind smeekte zelfs om zijn verjaardagsfeestje hier te organiseren. Eerst wou ik dat niet, maar ik deed het toch. Sindsdien is het niet meer gestopt. Dit jaar doen we het kamp opnieuw. De inschrijvingen begonnen op 20 januari om middernacht. Om half zeven ’s ochtends zat het eerste kamp vol, tegen negen uur zat het tweede vol en om elf uur stonden er honderd kinderen op de wachtlijst.”

 

Hoe ziet zo’n kampdag eruit?

Verheecke: “In de voormiddag doen ze echte boerderijwerkjes en in de namiddag zijn er workshops. Die kinderen leven zich uit tot en met. “Beste kamp ooit”, was een van de reacties. Als je dat hoort na het eerste kamp ooit op je boerderij, dat doet iets. Je bent wel afgekuist na veertien dagen. Maar de week daarna heb je al terug zin om een kamp te geven. En zo moet het zijn. Het is wel een hele kunst om ons werk gedaan te krijgen met kinderen op de boerderij. We werken enkel voor acht uur en na zes uur ‘s avonds met machines. Daartussen draait er geen enkele machine. Logisch ook, dat is veel te gevaarlijk met 50 kinderen. Zelfs met 10 kinderen is dat niet verantwoord.”

 

Even terug naar het vlees, hoe ziet de toekomst eruit voor de vleeshandel?

Verheecke: “Er zullen zeker nog wat vegetariërs bijkomen. Maar ik ben ook wel zeker dat de mensen meer naar kwaliteit zullen beginnen kijken. In het begin waren onze klanten vooral oudere mensen, omdat zij onze manier van slachten gewoon waren. De laatste jaren heb ik veel meer jonge gezinnen.”

 

Heeft dat te maken met die schandalen?

Verheecke: “Ja, maar vooral ook met welk vlees er nog gepresenteerd wordt in de supermarkten. Meestal zit daar nog weinig smaak in. Als wij een taaier dier hebben, en dat kan gebeuren, dan blijft de smaak toch aanwezig. Nu, ik kan enkel zeggen wat de klanten mij vertellen. Ik heb nog nooit een biefstuk uit de supermarkt gegeten.”

 

Zonder je eigen ruiten in te gooien, eten we niet te veel vlees?

Verheecke: “Ik ben maar twee keer in de maand open, dus hier kun je niet te veel vlees eten! Te veel is nooit goed, daar zijn de mensen zich bewust van. Daarom gaan ze op zoek naar zuiver vlees. Nu is vlees te veel een massaproduct. Ik liep ooit eens in de vleesafdeling van een Makro. Wat daar allemaal lag, dat was onmogelijk. Ik ben weggelopen en nooit meer teruggegaan. Wij doen zo veel moeite voor ons vlees en daar liggen de rekken overvol met alle mogelijke soorten vlees. Dat is niet normaal. Dat moet eruit.”

Vlees bestellen bij het Klavertjeshof kan via www.klavertjeshof.be.

 

 

Jesse De Meulenaere, februari 2018